Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen · 1 juni 2026
14 jaar gevangenisstraf voor brandstichtingen en poging tot moord op twee bewoners
ECLI:NL:RBGEL:2026:4303
Lees de volledige, originele uitspraak op Rechtspraak.nl ↗De rechtbank veroordeelt verdachte voor drie voltooide brandstichtingen, een poging tot brandstichting en een poging tot moord op twee personen. De poging tot moord en de laatste woningbrand vormen juridisch dezelfde handeling. Verdachte stichtte de branden na een geldconflict en bedreigingen. De bewoners hadden met dat conflict niets te maken. De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en legt 14 jaar gevangenisstraf op, plus een maatregel die toezicht en beperkingen na detentie mogelijk maakt.
Bewezen feiten en de wet
Feit 1: poging tot brandstichting bij een woning op 24 maart 2025, met gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor drie bewoners.
120 maanden gevangenisstraf. Voor de variant met gevaar voor personen geldt normaal 180 maanden; bij poging wordt dit met een derde verminderd. Voor uitsluitend gevaar voor goederen is het maximum bij poging 96 maanden.
Artikel 45 in samenhang met artikel 157, onder 1° en 2°, Wetboek van Strafrecht.
Feit 2: brandstichting in een bedrijfspand op 14 april 2025, met gevaar voor goederen.
144 maanden gevangenisstraf.
Artikel 157, onder 1°, Wetboek van Strafrecht.
Feit 3: brandstichting in een speedboot op 20 april 2025, met gevaar voor een andere boot en een bedrijfspand.
144 maanden gevangenisstraf.
Artikel 157, onder 1°, Wetboek van Strafrecht.
Feit 4: poging tot moord op twee bewoners door op 28 april 2025 hun woning in brand te steken.
240 maanden gevangenisstraf per poging tot moord. Op voltooide moord staat levenslang of maximaal 30 jaar. Bij poging tot een misdrijf waarop levenslang staat, geldt een maximum van 20 jaar.
Artikel 45, derde lid, in samenhang met artikel 289 Wetboek van Strafrecht; artikel 55 Wetboek van Strafrecht voor de samenloop met feit 5.
Feit 5: brandstichting in de woning op 28 april 2025, met gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners.
180 maanden gevangenisstraf voor de variant met gevaar voor personen. Voor uitsluitend gevaar voor goederen geldt 144 maanden. Dit feit wordt niet afzonderlijk opgeteld bij de poging tot moord, omdat het om dezelfde handeling gaat.
Artikel 157, onder 1° en 2°, Wetboek van Strafrecht; artikel 55 Wetboek van Strafrecht voor de samenloop met feit 4.
Het hoogste afzonderlijke maximum is 240 maanden voor poging tot moord. De rechtbank behandelt feiten 4 en 5 als eendaadse samenloop: dezelfde handeling valt onder verschillende strafbepalingen. Op grond van artikel 55 Sr is daarvoor de zwaarste strafbepaling bepalend; de woningbrand levert dus geen extra maximum op. De andere brandstichtingen zijn afzonderlijke handelingen. Artikel 57 Sr begrenst de gezamenlijke gevangenisstraf op het hoogste maximum plus een derde: 240 + 80 = 320 maanden, oftewel 26 jaar en 8 maanden. Dit is lager dan de som van de afzonderlijke maxima, ook als het samenlopende feitencomplex 4 en 5 slechts eenmaal voor 240 maanden wordt meegeteld: 120 + 144 + 144 + 240 = 648 maanden. De tekst biedt geen grond voor een wettelijke verhoging wegens eerdere veroordelingen. Een hoog risico op herhaling is daarvoor op zichzelf niet voldoende.
Weegt zwaarder
- Verdachte pleegde in ruim een maand meerdere ernstige feiten en ging uiterst planmatig te werk.
- Hij huurde een appartement en een scooter in de omgeving om de branden te kunnen stichten.
- De branden bij het bedrijfspand en de boot veroorzaakten veel materiële schade en gevaar voor andere goederen.
- Zulke branden veroorzaken onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
- De bewoners van de woning hadden niets te maken met het geldconflict.
- Na de mislukte poging keerde verdachte met zwaardere middelen terug en stichtte hij brand terwijl hij een bewoner in de hal zag staan.
- De rechtbank rekent verdachte de geraffineerde werkwijze zeer aan, waaronder de voortdurende steekvlam richting de voordeur.
- Een bewoner liep hevige brandwonden aan zijn arm op en de woning brandde volledig af.
- Verdachte creëerde een levensbedreigende, zeer angstige en traumatische situatie. Alleen doordat de bewoners wakker werden en andere uitgangen gebruikten, vielen geen dodelijke slachtoffers.
- De slachtoffers en hun kinderen verloren hun thuis en dierbare spullen en ondervonden enorm leed.
- Voor de aanvullende maatregel wegen het hoge risico op herhaling, het onopgeloste geldconflict, het beperkte inzicht van verdachte en zijn rechtvaardiging van zijn handelen mee.
Weegt lichter
Niet genoemd in de uitspraak.
De persoon
Verdachte is geboren in 1966. Het NIFP zag geen aanwijzingen voor duidelijke psychiatrische problematiek en kreeg de indruk dat zijn verstandelijke capaciteiten lager dan gemiddeld liggen. De reclassering benoemde risico's rond financiën, relaties en het sociale netwerk, en zorgen over zijn functioneren en houding. Het risico op herhaling werd hoog ingeschat. De rechtbank nam aan dat verdachte was bedreigd, maar oordeelde dat hij weerstand had moeten bieden aan de drang om brand te stichten. Zij benoemt deze omstandigheden niet uitdrukkelijk als reden voor strafvermindering.
Oriëntatiepunten rechtspraak
De rechtbank noemt geen LOVS-oriëntatiepunten en gebruikt geen concreet oriëntatiepunt als uitgangspunt voor de straf.
Samenvatting van de toetsing
Onder het wettelijk maximum. Opgelegd: 14 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr. — het wettelijk maximum is 320 maanden.
Waarom de rechter tot deze strafmaat kwam
De opgelegde 168 maanden liggen onder het gezamenlijke wettelijke maximum van 320 maanden, op ongeveer 53 procent daarvan. Het wettelijke maximum is een bovengrens en geen standaardstraf voor iedere zaak. De rechtbank vindt een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf nodig vanwege de planmatige brandstichtingen, het levensgevaar, de brandwonden en het grote leed van het gezin. Zij noemt geen concrete strafkorting wegens persoonlijke omstandigheden, bedreigingen of tijdsverloop. Het hoge risico op herhaling en het beperkte inzicht van verdachte leiden daarnaast tot de maatregel voor mogelijk toezicht na detentie.
Broncitaten bij de drie afwegingen
- Strafdoelen
- Geen expliciet broncitaat vastgesteld; dit is geen oordeel over de straf.
- Proportionaliteit
Naar het oordeel van de rechtbank is voor deze ernstige feiten geen andere straf passend dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
- Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, omdat sprake is van een hoog recidiverisico, het geldconflict nog steeds niet is opgelost, verdachte weinig inzicht in zijn handelen heeft gegeven en zijn handelen rechtvaardigt.
De weegschaal
Onder het wettelijk maximumOpgelegd: 14 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr.
De artikel 38z-maatregel maakt toezicht en beperkingen na detentie mogelijk; de concrete uitvoering wordt later beoordeeld. Verder zijn schadevergoedingen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en is een zak latex handschoenen verbeurdverklaard. In de beslissing staan schadebedragen van € 37.864,89, € 30.643,30, € 1.517,31 en € 2.991,20, plus wettelijke rente. De eerste twee bedragen wijken af van de bedragen die uit de voorafgaande motivering volgen.
Eis OM: 14 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en oplegging van de maatregel van artikel 38z Sr.
Deze uitleg is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Lees bij twijfel altijd de volledige uitspraak.
Lees de volledige, originele uitspraak op Rechtspraak.nl ↗