Alle getoetste uitspraken

Getoetst op 18 oktober 2026

Vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor bezit van cocaïne en lachgas en rijden onder invloed

Rechtbank Den Haag · 2 september 2026

Vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf voor bezit van cocaïne en lachgas en rijden onder invloed

ECLI:NL:RBDHA:2026:24609

Lees de volledige, originele uitspraak op Rechtspraak.nl ↗

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor twee gevallen van cocaïnebezit, drie gevallen van lachgasbezit en rijden onder invloed van cocaïne. Hij krijgt vier maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank houdt vooral rekening met zijn verbeterde persoonlijke omstandigheden en met straffen die na deze feiten al zijn opgelegd. Er komt geen nieuwe taakstraf of rijontzegging.

Bewezen feiten en de wet

Op 5 juli 2025 in Rotterdam opzettelijk 8,1 gram cocaïne aanwezig hebben.

6 jaar gevangenisstraf (72 maanden).

Artikel 2 onder C, in samenhang met artikel 10 lid 3 Opiumwet.

Op 25 juli 2025 in Leidschendam opzettelijk 16.091,8 gram lachgas aanwezig hebben.

2 jaar gevangenisstraf (24 maanden), uitgaande van de door de rechtbank gegeven kwalificatie.

Artikel 3 onder C, in samenhang met artikel 11 lid 2 Opiumwet.

Op 25 juli 2025 in Leidschendam opzettelijk 17,6 gram cocaïne aanwezig hebben.

6 jaar gevangenisstraf (72 maanden).

Artikel 2 onder C, in samenhang met artikel 10 lid 3 Opiumwet.

Op 28 september 2025 in Zoetermeer een personenauto besturen met 100 microgram cocaïne per liter bloed, boven de wettelijke grenswaarde.

1 jaar gevangenisstraf (12 maanden). Daarnaast is een rijontzegging mogelijk.

Artikel 8 lid 5, in samenhang met artikel 176 lid 1 Wegenverkeerswet 1994.

Op 12 oktober 2025 in Leidschendam opzettelijk 4.284 gram lachgas aanwezig hebben, zoals vermeld in de bewezenverklaring.

2 jaar gevangenisstraf (24 maanden), uitgaande van de door de rechtbank gegeven kwalificatie.

Artikel 3 onder C, in samenhang met artikel 11 lid 2 Opiumwet.

Op 13 oktober 2025 in Leidschendam opzettelijk 2.830,3 gram lachgas aanwezig hebben.

2 jaar gevangenisstraf (24 maanden), uitgaande van de door de rechtbank gegeven kwalificatie.

Artikel 3 onder C, in samenhang met artikel 11 lid 2 Opiumwet.

Voor deze zes feiten samen geldt artikel 57 Sr. Het hoogste afzonderlijke maximum is 72 maanden voor cocaïnebezit. Verhoging met een derde geeft 72 + 24 = 96 maanden. De som van de afzonderlijke maxima is 228 maanden, zodat de lagere grens van 96 maanden geldt. Voor lachgas is uitgegaan van de gewone opzettelijke bezitsvariant die de rechtbank kwalificeert, niet van een afzonderlijk gekwalificeerde strafverzwarende variant. Eerdere soortgelijke veroordelingen worden genoemd, maar de uitspraak biedt onvoldoende gegevens om een wettelijke recidiveverhoging toe te passen en vermeldt artikel 43a Sr niet. Daarnaast is artikel 63 Sr van toepassing wegens veroordelingen na het plegen van deze feiten. Omdat de eerdere straffen niet volledig zijn weergegeven, kan de invloed daarvan op de nog beschikbare wettelijke strafruimte niet worden berekend. De 96 maanden zijn daarom het samenloopmaximum voor uitsluitend de hier beoordeelde feiten.

Weegt zwaarder

  • De verdachte heeft gedurende een paar maanden meermaals hoeveelheden lachgas en cocaïne aanwezig gehad.
  • Cocaïnegebruik vormt een gevaar voor de volksgezondheid. Ook lachgasgebruik is schadelijk en kan bij langdurig en veelvuldig gebruik grote schade aan hersenen en longen veroorzaken.
  • Het achterlaten van lege lachgasflessen veroorzaakt milieuschade; de verdachte heeft dat in deze zaak ook gedaan.
  • De verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding van de criminaliteit, overlast en maatschappelijke schade die met verdovende middelen samenhangen.
  • Door onder invloed te rijden heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
  • De verdachte is eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en heeft daar volgens de rechtbank kennelijk geen lering uit getrokken.

Weegt lichter

  • De verdachte is na deze feiten meermalen veroordeeld. De rechtbank houdt op grond van artikel 63 Sr in aanzienlijke mate rekening met die veroordelingen in zijn voordeel.
  • De feiten zijn gepleegd in een turbulente periode, terwijl de verdachte inmiddels de draad weer heeft opgepakt.
  • De verdachte heeft een woonplek gevonden waar hij langere tijd kan blijven, gebruikt sinds zijn detentie geen lachgas en cocaïne meer en werkt als stratenmaker.
  • De verdachte moet nog een zeer hoog aantal uren taakstraf uitvoeren. Mede daarom legt de rechtbank geen nieuwe taakstraf op.
  • Op 8 oktober 2025 is al een forse rijontzegging opgelegd en het rijbewijs is inmiddels ongeldig verklaard. Een nieuwe rijontzegging heeft volgens de rechtbank geen wezenlijke toegevoegde waarde.

De persoon

De verdachte is geboren in 1998. De reclassering beschrijft problemen met huisvesting, financiën, het sociale netwerk, middelengebruik, verslaving en psychosociaal functioneren. Zij schat het risico op herhaling hoog in en ziet onvoldoende mogelijkheden om dat met voorwaarden of toezicht voldoende te beperken. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte inmiddels stabieler woont, werkt als stratenmaker en sinds zijn detentie geen lachgas of cocaïne meer gebruikt.

Oriëntatiepunten rechtspraak

De rechtbank noemt geen LOVS-oriëntatiepunten en gebruikt geen concreet standaardtarief in haar strafmotivering. Zij legt de nadruk op het aantal en de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden en artikel 63 Sr.

Samenvatting van de toetsing

Ver onder het wettelijk maximum. Opgelegd: Vier maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De straf wordt niet uitgevoerd als de verdachte zich tijdens die proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. — het wettelijk maximum is 8 jaar.

Waarom de rechter tot deze strafmaat kwam

De vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf liggen ver onder het berekende maximum van 96 maanden voor deze feiten samen, waarbij de precieze invloed van eerdere straffen op de wettelijke strafruimte niet bekend is. Het wettelijke maximum is een bovengrens en geen standaardstraf. De rechtbank vindt een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gezien het aantal en de ernst van de feiten in beginsel gerechtvaardigd, maar kiest daarvan af te zien vanwege de verbeterde persoonlijke omstandigheden en de eerdere veroordelingen waarmee zij rekening moet houden. Een nieuwe taakstraf vindt zij niet passend omdat nog zeer veel taakstrafuren openstaan. De voorwaardelijke gevangenisstraf moet de ernst van de feiten uitdrukken en nieuwe strafbare feiten voorkomen.

Broncitaten bij de drie afwegingen
Strafdoelen
Deze straf dient ook om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Proportionaliteit
Gelet op het aantal en de ernst van de feiten zou oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd zijn.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank houdt in de straf rekening met deze verbeterde persoonlijke omstandigheden.

De weegschaal

Ver onder het wettelijk maximum
Wettelijk maximum8 jaar
Eis van het OM2 maanden
Opgelegde vrijheidsstraf0 dagen + 4 maanden voorw.

Opgelegd: Vier maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De straf wordt niet uitgevoerd als de verdachte zich tijdens die proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Geen bijzondere voorwaarden en geen nieuwe rijontzegging. Bij eventuele uitvoering wordt daarvoor in aanmerking komend voorarrest afgetrokken.

Eis OM: Een taakstraf van 240 uur, bij niet-uitvoering te vervangen door 120 dagen hechtenis, en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid voor het rijden onder invloed.

Deze uitleg is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Lees bij twijfel altijd de volledige uitspraak.

Lees de volledige, originele uitspraak op Rechtspraak.nl ↗